In een slaperige Noorse kustplaatsje, eind 19e eeuw, stapt op een dag een geheimzinnige vreemdeling in een knalgeel pak aan land, met een vioolkist onder zijn arm en een flesje blauwzuur in zijn vestzak. De man noemt zichzelf Johan Nilsen Nagel. Hij neemt zijn intrek in het hotel en schokt de inwoners met zijn gedrag: hij strooit met geld, sluit vriendschap met de dorpsgek, Minuut genaamd, interesseert zich bovenmatig voor een recent sterfgeval en maakt twee vrouwen tegelijk het hof, waaronder de dochter van de dominee. Om indruk op hen te maken vertelt hij de meest fantastische verhalen. Maar ook in het echte leven blijkt hij een fantast: zijn vioolkist bevat slechts vuile was en de belangrijke telegrammen die hij ontvangt heeft hij aan zichzelf gestuurd. Wie is Nagel en wat wil hij van de dorpsbewoners?
Fragment uit Mysteriën
Vorig jaar midden in de zomer werd een kleine Noorse kustplaats het schouwtoneel van een aantal hoogst ongebruikelijke gebeurtenissen. Er dook een vreemdeling op in de stad, een zekere Nagel, een merkwaardige en eigenaardige charlatan die een hoop opvallende dingen deed en net zo plotseling weer verdween als hij was gekomen. Deze man kreeg zelfs bezoek van een jonge, geheimzinnige dame, die om God mag weten welke reden was gekomen en niet langer dan een paar uur ter plaatse durfde te blijven voor ze weer vertrok. Maar dit alles is niet het begin ...
Het begin is dat toen de stoomboot tegen zes uur ’s avonds aan de kade meerde, zich twee of drie passagiers op het dek vertoonden onder wie een man in een opvallend geel pak en met een grote fluwelen pet op. Dit was op de avond van 12 juni, want er werd die dag op veel plaatsen in de stad gevlagd naar aanleiding van de verloving van juffrouw Kielland, die net op 12 juni bekend werd gemaakt. De kruier van Hotel Centraal ging direct aan boord en de man in de gele kleren gaf hem zijn bagage; hij overhandigde bovendien zijn kaartje aan een van de stuurlieden, maar begon vervolgens over dek te ijsberen zonder aan wal te gaan. Hij leek in een hevige gemoedsbeweging te verkeren. Toen de scheepsbel voor de derde keer klonk, had hij nog niet eens zijn rekening in het restaurant betaald.
Terwijl hij zo heen en weer liep, bleef hij plotseling staan en zag dat het schip alweer uitvoer. Even keek hij verbaasd, toen zwaaide hij naar de hotelkruier op de kade en zei over de reling gebogen tot hem: ‘Nu goed, breng mijn bagage weg en reserveer toch een kamer voor me.’
Daarop nam het schip hem verder mee de fjord op.
Deze man was Johan Nilsen Nagel.
De hotelkruier nam zijn bagage mee op een kar: het ging slechts om twee kleine koffers en een bontjas - een bontjas, ja, hoewel het midden in de zomer was – en bovendien een handkoffer en een vioolkist. Alles zonder label.
*
Tegen de middag de volgende dag kwam Johan Nagel naar het hotel gereden, over land gereden met twee paarden. Hij had net zo goed, veel eenvoudiger zelfs, over zee kunnen komen, maar desondanks kwam hij gereden. Hij had nog wat meer bagage bij zich: op de voorbank stond nog een koffer en ernaast lagen een reistas, een mantel en een riem met wat dingen erin gerold. De riem was gemerkt met de letters J. N. N., met parels.
Nog op de wagen gezeten vroeg hij de waard naar zijn kamer en nadat hij naar de eerste verdieping was gebracht, begon hij de muren te onderzoeken: hoe dik ze waren en of je iets kon horen in de kamers ernaast. Toen vroeg hij het meisje plotseling: ‘Hoe heet u?’
‘Sara.’
‘Sara.’ En direct daarop: ‘Kan ik iets te eten krijgen? Aha, dus u heet Sara? Luister,’ zei hij toen, ‘is hier ooit een apotheek in dit gebouw geweest?’
Sara antwoordde verwonderd: ‘Ja, maar dat is al jaren geleden.’
‘Aha, al jaren? Ja, het viel me ineens op toen ik de gang binnenkwam; niet dat ik het kon ruiken, maar toch kreeg ik zo’n gevoel. Ja, ja.’
Toen hij beneden was om te eten, kwam er geen enkel woord over zijn lippen tijdens de maaltijd. Zijn medepassagiers van de boot van de avond ervoor, de beide heren die aan het uiteinde van de tafel zaten, grijnsden naar elkaar toen hij binnenkwam, maakten zelfs nogal openlijk grapjes over zijn pech van gisteren, zonder dat hij het scheen te horen. Hij at snel, schudde zijn hoofd bij het dessert en stond plotseling op door zich achterwaarts van zijn kruk te laten glijden. Hij stak dadelijk een sigaar op en verdween de straat in.
En deze keer bleef hij weg tot ver na middernacht, kort voor de klok drie uur sloeg kwam hij terug. Waar hij was geweest? Het bleek later dat hij terug was gegaan naar de naburige stad, heel die lange weg waarlangs hij die ochtend zelf was komen rijden, heen en terug te voet had afgelegd. Hij moest een uiterst dringende boodschap hebben gehad. Toen Sara de deur voor hem opendeed, was hij nat van het zweet; hij glimlachte echter een paar maal naar het meisje en was in een uitstekend humeur.
‘God mens, wat een heerlijke nek heeft u!’ zei hij. ‘Is er post voor me gekomen terwijl ik weg was? Voor Nagel dus, Johan Nagel? Goh, drie telegrammen zelfs! Ach, luister eens, doe me een plezier en haal dat schilderij van de muur, wilt u? Zodat ik het niet steeds voor ogen heb. Het is zo vervelend hier in bed te liggen en er de hele tijd naar te kijken. Napoleon de Derde had namelijk niet zo’n groene baard. Dank u wel.’