In formele termen is Noorwegen een constitutionele monarchie met een parlementair democratisch bestuurssysteem. Democratisch omdat de bron van alle politieke macht en legitimiteit conform de grondwet bij het volk berust, in die zin dat alle burgers in de gelegenheid zijn zitting te nemen in het Storting (het Noorse parlement) en in provinciale besturen en gemeenteraden. Parlementair in dat opzicht dat de regering, als de fungerende uitvoerende macht, niet kan regeren zonder het vertrouwen van het Storting, de wetgevende macht. Een constitutionele monarchie omdat de regering, in overeenstemming met de oorspronkelijke paragrafen van de grondwet, zijn gezag afleidt van de uitvoerende macht die bij de koning berust.
Zowel het democratisch bestuur als de monarchie werden ingesteld middels de grondwet van 1814. Het parlementair stelsel werd in 1884 ingevoerd. Tegenwoordig is de feitelijke politieke macht van de koning nog slechts gering, maar hij vervult een belangrijke symbolische functie als staatshoofd en officiële vertegenwoordiger van de Noorse samenleving en industrie. De monarchie speelt tevens een cruciale verenigende rol, die vooral goed zichtbaar wordt in tijden van nationale crises. Dit bleek duidelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen koning Haakon VII, die zich tegen de nazi-invasie van Noorwegen in 1940 verzette, Noorwegen ontvluchtte om vanuit ballingschap in Londen tegen de bezetting te strijden.
De macht van de staat is formeel verdeeld tussen drie instellingen: het Storting (de wetgevende macht), de regering (de uitvoerende macht) en de gerechtshoven (de rechterlijke macht). Daarnaast wordt het openbaar bestuur, dat was opgezet om aan de behoeften van de politieke organen te voldoen, soms gezien als een vierde macht, aangezien dit nu ook onafhankelijk optreedt en invloed op de totstandkoming van beleid kan uitoefenen. Er is tevens een geografische verdeling van de politieke macht op de niveaus van rijk, provincies en gemeenten.
De deelname van de bevolking aan het politieke domein vindt plaats door zowel rechtstreekse verkiezingen als via het lidmaatschap van organisaties. De gemiddelde Noor is lid van vier organisaties en circa 70% van de volwassen bevolking is lid van ten minste één organisatie. Zulke organisaties zijn in staat invloed uit te oefenen op de autoriteiten middels formele en informele contacten met het openbaar bestuur. Nauwe contacten tussen de permanente parlementaire commissies, ministeries en belangengroeperingen impliceren dat het beleid in Noorwegen georiënteerd is op segmenten als het industriële segment, het landbouwsegment of het onderwijssegment.
De opkomst bij verkiezingen ligt meestal rond de 80%. Algemeen kiesrecht voor mannen werd in 1898 ingevoerd, voor vrouwen in 1913. De leeftijd waarop men meerderjarig wordt is op dit moment 18 jaar.