Het percentage vrouwen dat deelneemt aan de arbeidsmarkt is in Noorwegen is nog nooit zo hoog geweest – wereldwijd nemen de Noorse vrouwen een toppositie in. 75 procent van alle vrouwen tussen de 25 en 66 jaar maakt deel uit van de beroepsbevolking, terwijl dit percentage voor mannen 82 procent bedraagt. De deelname van moeders met jonge kinderen is ook erg hoog. Van de moeders met kinderen jonger dan drie jaar heeft 72 procent een baan. Van de moeders met kinderen tussen de drie en zes jaar heeft 82 procent een baan (anno 2004).
Bij de ontwikkeling van het Noorse gezins- en emancipatiebeleid is het uitgangspunt geweest dat zowel mannen als vrouwen deel moeten kunnen nemen aan het gezinsleven en aan het arbeidsproces. Van groot belang zijn de regelingen voor overheidsfinanciering van kinderdagverblijven en het recht op betaald ouderschapsverlof (inclusief vaderschapsverlof) gedurende 53 weken met behoud van 80 procent van het salaris, of 43 weken met 100 procent van het salaris. Daarnaast bestaan er flexibele werktijdenregelingen.
Ongeveer evenveel mannen als vrouwen hebben tegenwoordig hoger onderwijs gevolgd. Toch kiezen de meesten nog traditioneel. Vrouwen kiezen vaker voor een opleiding binnen de gezondheidszorg en het onderwijs, en mannen binnen de techniek en de natuurwetenschappen. Drie van de vijf studenten aan universiteiten en hogescholen is vrouw.
43 procent van alle vrouwen tussen de 16 en 74 jaar werkt in deeltijd, terwijl dit percentage voor mannen op slechts 13 procent ligt. Het gemiddelde aantal uren betaald werk per week bedraagt voor vrouwen 30,6 en voor mannen 37,2 (anno 2004). Noorwegen heeft nog steeds te maken met een loonsverschil tussen mannen en vrouwen van 15 procent. Dit verschil komt grotendeels voort uit het feit dat mannen en vrouwen binnen verschillende sectoren werkzaam zijn en dat vrouwen vaker in deeltijd werken.
Binnen de overheidssector bedraagt het percentage vrouwen 68 procent. Met name in de gemeentelijke sector werken veel vrouwen. 78 procent van alle medewerkers in gemeentelijke dienst is vrouw. Ter vergelijking waren vrouwen ook in de meerderheid bij de medewerkers in rijksdienst. In de particuliere sector waren de mannen in de meerderheid (anno 2004).
Bij beroepen als kleuterleidster, verpleegkundige en andere verzorgende beroepen, alsmede onder schoonmaakpersoneel, ligt het vrouwenaandeel ruim boven de 90 procent. De meeste ingenieurs zijn nog steeds man. Onder artsen ligt het percentage vrouwen op 34 procent en onder advocaten op 26 procent.
Als eerste land ter wereld nam Noorwegen in 2003 een wet aan die eisen stelde aan de verdeling tussen de seksen in raden van bestuur. De wet geldt voor staatsbedrijven en voor naamloze vennootschappen in particulier eigendom. De wet trad in werking op 1 januari 2004 voor staatsbedrijven en op 1 januari 2006 voor naamloze vennootschappen in particulier eigendom. Het vrouwenaandeel in de directies van staatsbedrijven ligt al jaren boven de 40 procent, terwijl het bij naamloze vennootschappen in particulier eigendom met 18 procent een stuk lager ligt (anno 2006). Meer informatie over de verdeling tussen de seksen in directies is te vinden op de homepage van het ministerie van Kinderen en Emancipatie.
Het algehele tekort aan vrouwen in topposities binnen de particuliere sector en bij het Rijk en de gemeenten blijft zorgwekkend, resp. 22, 23 en 23 procent van de topposities wordt door vrouwen bekleed (anno 2005). Vrouwen vormen 27 procent van het middenkader in de particuliere sector. De cijfers voor het percentage vrouwen in rijksdienst ontbreken op dit punt.
Bron: het Noorse ministerie van Kinderen en Emancipatie
http://www.odin.no/bld/english/topics/gendereq/004051-990346/dok-bn.html