De Human Development Index 2003 van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties rangschikt Noorwegen op de tweede plaats, met alleen IJsland voor zich, in termen van de gelijkheid tussen de seksen in economisch en politiek opzicht. Zo heeft Noorwegen onder meer een hoog percentage vrouwen dat lid is van het Storting (het Noorse parlement) of dat hoge leidinggevende posities bekleedt. Vrouwen vormen ook een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking in het algemeen. Hoewel het nog steeds zo is dat er een groter aantal mannen op politieke en openbare posities benoemd is, is er een duidelijke tendens in de richting van een grotere vrouwelijke vertegenwoordiging. De tweede regering die door de toenmalige minister-president Gro Harlem Brundtland in 1986 werd samengesteld, had het hoogste percentage vrouwen ter wereld, waarbij vrouwen acht van de achttien ministersposten bekleedden.
Ingevolge de wet gelijke behandeling van 1978 is alle discriminatie op basis van geslacht verboden, met uitzondering van gevallen waarin dit de gelijkheid tussen de seksen specifiek stimuleert. Hoewel het formele principe van een gelijke betaling voor gelijke werkzaamheden gerealiseerd is, zijn er aanwijzingen dat Noorse vrouwen qua salarispeil nog steeds ietwat achterblijven bij hun mannelijke tegenhangers.
De afgelopen 100 jaar hebben vrouwen op de meeste terreinen formele en reële gelijkheid verworven. In 1888 kregen gehuwde vrouwen het recht van een volledig onafhankelijke handelingsbevoegdheid en wetgeving van 1918 en 1927 plaatste hen op gelijke voet met mannen met betrekking tot scheiding, de voogdij over kinderen en het recht op bezittingen. In 1912 verwierven vrouwen toegang tot de meeste posities in het overheidsbestuur en vanaf 1938 mochten zij dienstdoen op alle posities, behalve binnen de geestelijkheid of in het leger. Het volledig recht om in alle officiële hoedanigheden dienst te doen werd toegekend in 1952.
De entree van vrouwen op de arbeidsmarkt en de daarop volgende veranderingen in hun financiële positie die zich vanaf het eind van de 19e eeuw begon te voltrekken, legde de basis voor een politieke vrouwenbeweging die zich ten doelde stelde op alle terreinen volledige maatschappelijke rechten voor vrouwen te realiseren. Als georganiseerde beweging had de vrouwenbeweging in de jaren 80 van de 19e eeuw een eerste doorbraak. In deze vroege jaren vochten vrouwen voor het recht te mogen stemmen, dat zij in 1913 verwierven. In de jaren tussen de twee wereldoorlogen werden er onder auspiciën van de vakbonden diverse vrouwengroeperingen opgericht. In de jaren 60 van de vorige eeuw kreeg de vrouwenbeweging nieuwe impulsen. De studentenopstanden, de ontluikende vrouwenbeweging in het buitenland en de economische bloei, die de toetreding van vrouwen tot de beroepsbevolking stimuleerde, zorgden voor een hernieuwde belangstelling onder de Noorse vrouwen voor gelijkheid tussen de seksen en leidden tot een beweging die krachtiger was dan ooit tevoren.
Deze nieuwe vrouwenbeweging was niet primair geïnteresseerd in het verkrijgen van formele gelijkheid, maar was er vooral op uit te bewerkstelligen dat vrouwen hun formele rechten ook daadwerkelijk vrijelijk konden uitoefenen.