Aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw was er sprake van een grote emigratiegolf vanuit Noorwegen naar met name de VS. Deze emigratiegolf bereikte in de tweede helft van de jaren 60 van de 19e eeuw zijn hoogtepunt, toen meer dan tweederde van de natuurlijke bevolkingsaanwas, ofwel zo’n 10-15% van de bevolking, het land verliet. Deze omvangrijke emigratie hield aan tot de Eerste Wereldoorlog om pas tijdens de economische crisis van de jaren 30 van de vorige eeuw tot staan te komen.
Vanaf het eind van de jaren 60 heeft Noorwegen te maken gekregen met een aanzienlijke netto-immigratie, die neerkomt op zo’n 1% van de bevolking in de jaren 70 en de vroege jaren 80. Daar het geboortecijfer onder autochtone Noren is gedaald, is het algehele percentage van de door immigratie veroorzaakte bevolkingsgroei significant gestegen tot een niveau van 35-40%.
In de jaren 60 arriveerde er een steeds toenemende stroom immigranten uit Zuid-Europa, Azië, Afrika en Zuid-Amerika, die zich vooral in en rondom Oslo vestigden. In 1975 voerde Noorwegen een officieel verbod op immigratie in, dat tot op heden van kracht is. Dit verbod geldt niet voor specifieke groepen vluchtelingen en asielzoekers. Er zijn jaarlijkse quota ingesteld ten aanzien van de toegang van deze groepen, die voornamelijk uit het voormalige Joegoslavië, Pakistan, Vietnam, Iran en Turkije komen. Er is tevens een zekere speelruimte beschikbaar voor gezinsherenigingsdoeleinden.