A | A | A

De unie met Denemarken

De Late Middeleeuwen waren in Noorwegen een periode van economisch verval. De bevolking was door de pest en andere epidemieën in de veertiende eeuw uitgedund. Veel boerderijen in de randgebieden waren verlaten en de inkomens daalden. Sommige historici beweren dat de neergang werd veroorzaakt door een klimaatsverslechtering en de invloed van het Hanzeverbond op de Noorse economie. Anderen geloven dat een geleidelijke verarming van de grond een van de oorzaken van de achteruitgang was.

De economische depressie had politieke gevolgen. Denemarken kreeg een steeds grotere betekenis als belangrijkste land van Scandinavië. Deense en Duitse edellieden kregen de hoogste openbare functies toegewezen. Landgoederen en bisschoppelijke verblijven kwamen in buitenlandse handen. De Noorse adel kwijnde langzaam weg. Het nationale zelfbewustzijn van de Noorse bevolking nam steeds verder af.

In 1450 werd de unie met Denemarken opgericht op basis van een verdrag. Dit verdrag was in principe opgesteld om de Noorse Rijksraad te verzekeren van zijn invloed bij het kiezen van een monarch, maar deze voorwaarde werd nooit in acht genomen. Het verdrag was tevens bedoeld om de gelijkwaardigheid van de twee landen te waarborgen. Dit was de theorie, maar de praktijk pakte anders uit.

In 1536 hield Noorwegen als onafhankelijk koninkrijk op te bestaan. Dit werd besloten tijdens een vergadering van de volksvertegenwoordiging in Kopenhagen, waar koning Christian III de Deense adel plechtig beloofde dat Noorwegen vanaf dat moment ondergeschikt zou zijn aan de Deense Kroon, als elk ander Deens bezit. De Noorse Rijksraad werd ontbonden en de Noorse kerk verloor zijn autonomie. Vanaf dat moment stond het Deense edellieden vrij om posities binnen de rechterlijke macht in Noorwegen over te nemen en konden zij ook een inkomen verdienen in Noorwegen.

Door deze nauwe politieke band met Denemarken werd Noorwegen onvermijdelijk ook betrokken bij de oorlogen die Denemarken voerde met Zweden en de Baltische staten, met als gevolg dat de Deense koning Noors grondgebied afstond aan Zweden: Jämtland en Herjedalen in 1645, Båhuslän en het leengoed van Trondheim in 1658. Het laatstgenoemde werd echter twee jaar later weer aan Noorwegen teruggegeven.

In 1660 riep een vergadering van de Staten-Generaal in Kopenhagen Fredrik III uit als troonopvolger, met als taak de koninkrijken van een nieuwe grondwet te voorzien. Zodoende waren de twee koninkrijken onderworpen aan een absolute monarchie, wat gedurende de resterende tijd van de unie van invloed was op de positie van Noorwegen. Hoewel Noorwegen vanuit Kopenhagen werd bestuurd, was de monarch vaak niet in de positie om te regeren. De echte macht lag in handen van de rijksfunctionarissen. In grote lijnen profiteerde Noorwegen hiervan, aangezien sommige rijksfunctionarissen begrip begonnen te krijgen voor de standpunten van de Noren. In kwesties die speciaal van toepassing waren op Noorwegen, werden de meningen van de hoge Noorse functionarissen vaak gerespecteerd.

Gedurende deze periode van absolute heerschappij werd een beleid opgesteld om Denemarken en Noorwegen als economische eenheid te behandelen. Zodoende kreeg Denemarken het alleenrecht op de verkoop van graan in Zuidoost-Noorwegen (1737), terwijl een vergelijkbare monopolie op de verkoop van ijzer uit Noorwegen werd geïntroduceerd in Denemarken. Door de introductie van handelsprivileges voor de steden in 1662, concentreerde de hele houthandel zich op de steden, waar de inwoners het exclusieve recht kregen timmerhout van de boeren en de houtzagerijen te kopen. Het doel was een rijke middenklasse in de stad tot stand te brengen. Dit doel werd bereikt.

De middenklasse die in navolging van de economische ontwikkeling ontstond, vormde de aanzet tot een ontluikend nationaal bewustzijn, dat vooral merkbaar werd in de achttiende eeuw. Hoewel dit voor een deel te danken was aan de sterke economische groei van deze sociale klasse, was de groeiende weerstand tegen de pogingen van de regeerders om Kopenhagen tot economisch middelpunt van de twee landen te maken, waarschijnlijk eerder van doorslaggevend belang. De Noorse handelaars waren niet in staat te concurreren met de machtige handelsmaatschappijen in de Deense hoofdstad.

Tegen het einde van de achttiende eeuw werden de meeste importgoederen verscheept via Kopenhagen. De houthandelaren in Zuidoost-Noorwegen dienden gezamenlijk een verzoek in voor een Noorse nationale bank en steunden tevens het verzoek van hoge functionarissen om een Noorse universiteit. Deze verzoeken werden afgewezen omdat de regering bang was voor elke actie die de autonomie van Noorwegen zou kunnen bevorderen en daarmee afbreuk zou kunnen doen aan de macht van de unie. Het concept van een Noorse universiteit en nationale bank werd geleidelijk aan het symbool van het groeiend nationaal bewustzijn.

Deze ontwikkeling kwam gedurende de Napoleontische Oorlogen van 1807–1814 in een stroomversnelling. Denemarken/Noorwegen vormden een alliantie met Frankrijk, en door de daaropvolgende blokkade raakte Noorwegen geïsoleerd van Denemarken en van de markt. De scheepvaart en houtexport kwamen stil te liggen en het land werd getroffen door een grote schaarste. Aangezien Noorwegen niet langer meer bestuurd kon worden vanuit Kopenhagen, werd een overheidscommissie van hoge functionarissen voor deze taak aangesteld. Koning Frederik VI kwam tegemoet aan het verzoek om een nationale universiteit, die vervolgens in 1811 werd opgericht. Dit alles vormde de opmaat voor de gebeurtenissen in 1814.


Bron: Door Tor Dagre   |   Delen op netwerk   |   print