In Noorwegen is theater een relatief jonge kunstvorm. Het oudste theater – Den Nationale Scene in Bergen – werd in 1850 opgericht, terwijl het eerste nationale theater – Nationaltheatret in Oslo – bijna 50 jaar later, in 1899, zijn deuren opende. Dit kan te wijten zijn aan het feit dat theater een stedelijke kunstvorm is, terwijl Noorwegen een land met weinig grote steden was en is. Geleidelijk aan werden nog andere theaters opgericht, eerst in Trondheim en Stavanger en vanaf de jaren 70 in heel Noorwegen.
Van 1970 tot 1980 richtten de Noorse regering en de diverse districten samen vijf regionale toneelcentra op en vandaag de dag heeft Noorwegen 17 door de overheid gesubsidieerde theaters die hetzij volledig met overheidsgelden gefinancierd worden (Nationaltheatret, Det Norske Teatret, Den Norske Opera, Riksteatret en Den Nationale Scene in Bergen), hetzij gezamenlijk door de staat en de regio worden gefinancierd. Daarnaast is de stad Oslo verantwoordelijk voor het Oslo Nye Teater en voor twee kleinere, meer experimentele podia, het Black Box Teater en Det Åpne Teater. Beaivvás Sámi Teáhter (het Samische nationale theater) werd voorheen door de staat gefinancierd, maar staat nu onder auspiciën van Sámediggi (het Samische parlement).
In totaal bedragen de overheidsmiddelen voor podiumkunsten in Noorwegen meer dan NOK 1000 miljoen (ca. EUR 112,8 miljoen), waarvan het grootste gedeelte wordt toegewezen via het Ministerie van Cultuur- en Kerkzaken. De rest wordt op regionaal niveau verdeeld. Dit houdt in dat bijna een derde van het totale Noorse budget voor culturele zaken wordt gebruikt om podiumkunsten te subsidiëren.
Er zijn maar heel weinig particuliere theaters in Noorwegen en deze brengen voornamelijk kluchten en musicals ten tonele.
Jaarlijks bezoeken ca. 1,5 miljoen toeschouwers de professionele theaters van Noorwegen. Natuurlijk hebben de toneelstukken van Henrik Ibsen een speciale plaats op het repertoire van de Noorse theaters, maar ook een nieuw stuk van Jon Fosse weet gewoonlijk veel publiek op de been te brengen. Noors theater is ook internationaal gericht en er worden dan ook regelmatig werken van klassieke toneelschrijvers als Euripides, Shakespeare, Tsjechov, Strindberg, Molière, moderne dramaturgen als Tennessee Williams, Arthur Miller, Samuel Beckett, Bertolt Brecht en Edward Albee en hedendaagse schrijvers als Sarah Kane, Marius von Mayenburg, Martin McDonagh en Lars Norén opgevoerd.
Noorse acteurs en regisseurs hadden lange tijd de neiging hun inspiratie in Engeland en de VS te zoeken, in plaats van in Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje, maar daar komt verandering in. Met de opkomst van een nieuwe generatie artistiek leiders wordt de blik steeds meer op Europa gericht, en vooraanstaande buitenlandse regisseurs zoeken steeds vaker Noorse podia op. Twee van de belangrijkste theaters, Det Norske Teatret en Den Nationale Scene, zijn lid van de European Theatre Convention, terwijl Teatret vårt (Ons theater), een regionaal toneelcentrum aan de westkust, actief lid is van Magic-Net, een Europese ontmoetingsplaats voor theaters en pedagogen, docenten en tieners, regisseurs en acteurs.