A | A | A

Na 1965

Pas in 1965 kwam er een einde aan de nauwe verbondenheid van Noorse kunstenaars met de Franse traditie en begon men meer aandacht te krijgen voor de ontwikkelingen in andere landen, waaronder Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Eind jaren 1960 hielden Håkon Bleken (1929-) en Knut Rose (1936-) zich bezig met het probleem van het omvormen van de tot dan toe strikt Noorse schilderstructuur tot een meer figuratieve en literaire techniek. Tegelijkertijd keerde Jens Johannessen (1934-), een ander lid van dezelfde groep, de modernisten de rug toe om een meer decoratieve kunst te ontwikkelen.

Al gauw bereikten de sterke impulsen van de Amerikaanse popart Noorwegen, die inspireerden tot de ontwikkeling van een figuratieve uitdrukkingsvorm met een revolutionaire en sterk kritische inhoud. De kunstenaars gaven uiting aan hun persoonlijke mening over tal van onderwerpen, van de oorlog in Vietnam tot de ontwikkeling van de derde wereld en verscheidene nationale kwesties zoals het EU-referendum in 1972. Per Kleiva (1933-) en Anders Kjær (1940-) werden duidelijk door deze trends beïnvloed. Arne Malmedal (1937-) en Kjell Pahr-Iversen (1937-) vervolgden hun abstracte ontwikkeling, terwijl andere artiesten meer in de richting van figuratieve expressie neigden. Frans Wiedeberg (1934-) blikte terug naar de negentiende-eeuwse romantiek en bediende zich bij zijn interpretaties van de mens en de kosmos van een symbolische taal, terwijl Karl Erik Harr (1940-) zich richtte op zeegezichten in Noord-Noorwegen.

Odd Nerdrum (1944-) ontwikkelde vervolgens een benadering die terugging op de tijd van de barok. In zijn vroege werken stelde hij open vragen inzake de maatschappij van dat moment, maar na 1958 begon hij zich steeds meer toe te leggen op het ontwikkelen van zijn zeer karakteristieke expressievorm, waarmee hij internationale erkenning verwierf, vooral in de VS.

In de jaren 1980 lieten Noorse kunstenaars zich niet langer door slechts één beïnvloedingslijn leiden. Het gevolg was dat het decennium werd gekenmerkt door een opeenstapeling van verschillende schildervormen en -technieken. Het was echter ook de periode van de ontwikkeling van multimedia- en installatiekunst. Belangrijke namen uit de jaren 1980 zijn onder meer Bjørn Ransve (1944-), die het Noorse postmodernisme vertegenwoordigde, Kjell Torriset (1950-), Ida Lorentzen (1951-) en Ulf Nilsen (1950-), die zich allen verdiepten in figuratieve expressie, Kjell Erik Killi Olsen (1952-), Håkon Gulvåg (1959-), Bjørg Holene (1947-) en Therese Nortvedt (1953-), in wier literaire schilderijen een surrealistische ondertoon doorklonk, Leonard Richard (1945-), wiens werk zijn oorsprong vond in jeugdherinneringen die hij in zijn abstracte schilderkunst vervlocht en Bjørn Carlsen (1945-), die het expressionisme vertegenwoordigde.

Het Noorse landschap bleef voor veel kunstenaars een bron van inspiratie, hoewel de schilders in de jaren 1980 en 1990 meer abstract en expressionistisch waren dan hun voorgangers. Het is een ruwer, barser landschap met archetypische bergvormen, dat wordt afgebeeld in het werk van Olav Christopher Jensen (1945-), Anne Katrine Dolven (1953-), Ørnulf Opdahl (1944-), Bjørn Sigurd Tufta (1956-), Håvard Vikhagen (1952-), Olav Christopher Jenssen (1954-) en Andres Kjær. Eind jaren 1990 krijgt de schilderkunst echter een andere status; de aandacht voor wat er concreet op het doek staat vermindert en verschuift naar de factoren die het feitelijke schilderij omgeven. Ook de context waarin het doek geplaatst is speelt een belangrijke rol, waardoor het fysieke kader theorie en ideologie omvat en de feitelijke techniek van het schilderen minder belangrijker is dan de manier waarop het schilderij functioneert in zijn omgeving.


Bron: De tekst is opgesteld met toestemming van Visiting Arts op basis van de Norway Arts Directory (ISBN 19020349164 © 1999).  E-mail: information@visitingarts.org.uk   |   Delen op netwerk   |   print