De 19e eeuw betekende het begin van een nieuw tijdperk voor de schilderkunst in Noorwegen. Aan het einde van die eeuw waren portretten zeer populair onder de hogere klassen van de maatschappij en talloze Noorse portretschilders verdienden hun brood met het schilderen van de rijken en machtigen. Jacob Munch (1776-1839) stond bekend als de grote empirische portretschilder die een strenge, correcte stijl volgde. De volgende generatie portretschilders werd aangevoerd door Matthias Stoltenberg (1799-1871), wiens werk een zachtere biedermeierstijl kende.
Toen in de loop van de jaren 1850 de kunst van de fotografie opkwam, moesten de portretschilders een andere bron van inkomsten zoeken. Vandaar dat de Noorse landschapsschilderkunst de decennia daarna erkenning vond. De slechte staat van de Noorse economie in de nasleep van de afscheiding van Denemarken belette dat zich een vorm van echte infrastructurele steun voor de schone kunsten ontwikkelde. De nieuwe universiteit van Oslo had geen kunstacademie en verder zorgden het ontbreken van koninklijke begunstiging van de kunsten en de afschaffing van de aristocratie door het Storting (de Noorse volksvertegenwoordiging) in 1821 ervoor dat de toch al beperkte kansen voor Noorse kunstenaars nog verder afnamen, zodat ze genoodzaakt waren in het buitenland werk te zoeken. Vandaar dat de wortels van de Noorse schilderkunst in feite in Dresden, het centrum van de Duitse romantiek, te vinden zijn. De Noorse schilder Johan Christian Dahl (1788-1857), die deel uitmaakte van dit milieu, keerde uiteindelijk terug naar het vastleggen van West-Noorse landschappen in schilderijen die sindsdien worden beschouwd als het definitieve zelfbeeld van Noorwegen. Dahls werk gaf het Noorse landschap een artistieke vorm en plaatste Noorwegen voor het eerst op de kaart van de schilderkunst.
De pas verkregen onafhankelijkheid van Denemarken bracht ook de kwestie van een nationale identiteit naar boven en gedurende de jaren 1830 en 1840 werden door kunstenaars en intellectuelen bewuste pogingen ondernomen om vast te stellen wat het betekende om Noors te zijn. De eerste Maatschappij voor Schone Kunsten (in 1836 opgericht door J.C. Dahl) – die ook een belangrijke bijdrage leverde aan de ontwikkeling van een Noorse kunstmarkt – speelde in die tijd een cruciale rol bij het vergroten van het Noorse culturele bewustzijn.