A | A | A

Films voor kinderen

Net als Zweden en Denemarken is Noorwegen befaamd om de productie van hoogwaardige films voor kinderen en jongeren.Tot de veelgebruikte thema's behoren de problemen van het opgroeien en het volwassen worden.

Vóór 1921 mochten Noorse kinderen alle films bekijken. Het begrip kinderfilm bestond niet en films werden in het algemeen zonder beperkingen vertoond. Rond 1910 begonnen mensen zich zorgen te maken over het vermogen van bioscoopfilms om het publiek te beïnvloeden en de eerste wetgeving met betrekking tot het bioscoopbedrijf werd in 1913 aangenomen. Van 1913 tot 1921 waren in de wetgeving geen leeftijdsgrenzen vastgesteld en dus waren films hetzij voor iedereen toegankelijk, hetzij voor iedereen verboden. Als gevolg daarvan werden veel films verboden, ondanks het feit dat ze wel geschikt waren voor een volwassen publiek. In 1921 werd een leeftijdsgrens van 16 jaar ingevoerd en in 1954 werd deze nog verder onderverdeeld in de leeftijdscategorieën tot 7, 12 resp. 16 jaar.

De speelfilm Ti gutter og en gjente (“Tien jongens en een meisje”, 1944) van theaterartiest Alexej Zaitzow wordt beschouwd als de eerste echte Noorse kinderfilm, hoewel ook een aantal eerdere werken speciale aantrekkingskracht op kinderen had. Zaitzows film, met kinderen in de hoofdrollen, gaat over vriendschap. Terugblikkend wordt de film beschouwd als een lichtpuntje tussen de Noorse producties uit de Tweede Wereldoorlog, toen het witte doek beheerst werd door apolitieke kluchten.

Tussen 1944 en 1980 maakten Noorse filmmakers 26 films voor kinderen. De periode 1955-1965 was zeer belangrijk, aangezien nieuwe leninggaranties en een regeling voor financiële ondersteuning, gekoppeld aan de kaartverkoop, de productie stimuleerden. Met Toya (Eric Heed, 1956) en het vervolg daarop had Noorwegen zijn eerste doorlopende kinderserie. In 1959, na een decennium van korte poppenfilms, bracht Ivo Caprino Ugler i mosen (“Er dreigt narigheid”) uit, een traditionele speelfilm die de harten van oud en jong veroverde. Van 1982 tot 1988 leek de kinderfilmindustrie in Noorwegen te zijn ingedommeld – er werden geen kinderspeelfilms geproduceerd. In 1981 produceerden Noorse filmmakers echter een aantal jeugdportretten, geïnspireerd door een Europese beweging die de nadruk legde op herinneringen en gevoelens. Hiertoe behoorden Liten Ida (Kleine Ida, 1981) van Laila Mikkelsen, Lasse Glomms Zeppelin (1981) en Løperjenten (Het boodschappenmeisje, 1981) van Vibeke Løkkeberg. Dergelijke films stonden in schril contrast met de Amerikaanse kinderfilms vol actie, die op dat moment de markt domineerden en critici debatteerden in hoeverre de Noorse producties feitelijk als kinderfilms konden worden aangemerkt.

De algehele teloorgang van de Noorse filmbranche in de jaren 1980 was ook van invloed op de kinderfilms , maar begin jaren 1990 werd de sector nieuw leven ingeblazen. Een belangrijke drijvende kracht was Berit Nesheim, die drie portretten van jonge meisjes op de drempel van de volwassenheid produceerde: Frida – med hjertet i hånden (Frida – met het hart op de tong, 1991), Høyere enn himmelen (Hoger dan de hemel, 1993) en Søndagsengler (Zondagsengelen, 1996). Høyere enn himmelen kreeg ontving zelfs een Oscar-nominatie in de categorie beste buitenlandse film. De duistere film Bare skyer beveger stjernene (Alleen wolken bewegen de sterren, 1998) van Torunn Lian won diverse internationale prijzen. Tegelijkertijd verhoogden Noorse filmmakers hun productie van animatie- en korte films.

Vanaf 2000 werd de Noorse productie van kinderfilms commerciëler. Het aantal kinderfilms is markant gestegen. De oprichting van het Noorse filmfonds en de invoering van nieuwe financieringsregelingen maken deel uit van een omslag waarbij het gezin als doelgroep wordt aangemerkt. Tussen 2000 en 2006 zijn er 17 kinderfilms gemaakt, waarvan meerdere gebaseerd op bekende literaire werken of andere verhalen uit de media. De marketing van Noorse kinderfilms is ook professioneler geworden. De films Ikke naken (Niet naakt, 2004) van Torun Lian en Fia og klovnene (Fia en de clowns, 2003) van Elsa Kvamme kregen uitstekende kritieken en wonnen diverse prijzen op bekende buitenlandse filmfestivals. De laatste tijd zijn er echter tekenen die erop wijzen dat de Noorse filmproductie voor kinderen meer homogeen en marktgericht wordt, wat ten koste gaat van de ontwikkeling van goede, artistieke kinderfilms met kinderen als specifieke doelgroep.

In 1951 richtte journalist en filmrecensent Elsa Brita Marcussen zowel Norsk Filmsamfunn, een van de eerste filmgenootschappen, als een speciaal tijdschrift over film op. Marcussen was een voorvechtster van kwaliteitsmateriaal voor kinderen en bezocht tal van scholen, waar ze films vertoonde en besprak. In 1960 begon de overheid nieuwe aandacht aan de kinderfilm te schenken. Het Rijk benoemde een commissie voor kinderfilms en in 1970 werd een subcomité opgericht, dat zich bezighield met kwesties als importsubsidies, nasynchronisatie en catalogisering. In 1975 ontstonden de eerste plannen om een permanente ministerpost voor thema’s in verband met kinderfilms te creëren, maar de eerste speciale consulent voor kinderfilms werd pas  in 1987 benoemd. Datzelfde jaar besloten de beleidsmakers bij de behandeling van de aanvragen voor productiesubsidie prioriteit te geven aan films voor jongeren. Een andere belangrijke ontwikkeling vond plaats in 1988, toen de rijkssubsidie op basis van de kaartopbrengst voor kinderfilms werd verhoogd van 55% naar 100%. Het Ministerie ministerie van Cultuur gaf de Noorse filmmakers als doel om in de periode 1990-1995 minimaal vijf kinderfilms te produceren, waardoor het duidelijk werd waar de prioriteiten lagen bij de productiesubsidies van de overheid . In 1992 ontving Norsk Filmklubbforbund, de Noorse vereniging van filmgenootschappen, een subsidie om een permanente  adviseur voor kinderfilms aan te stellen. Vandaag de dag zijn er zo’n 70 kinderfilmgenootschappen in Noorwegen, met in totaal 9.000 leden.

Een van de hoogste prioriteiten van het Norsk Filminstitutt, het Noorse filminstituut, is het beschikbaar maken van films voor kinderen en jongeren. Volgens het instituut moet het zien van een film een gedenkwaardige ervaring zijn, waarbij kennis wordt overgedragen en film als kunstvorm wordt gepromoot. Het filminstituut werkt voortdurend aan de verspreiding van hoogwaardige kinderfilms op scholen, in bibliotheken en andere instellingen, evenals op de particuliere markt.

Het Amandus Festival van Norsk Filminstitutt is een populair evenement in Lillehammer waarvoor jongeren hun eigen werk kunnen insturen en op die manier meedingen naar de zeer gewilde Amandus Prijs. Het festival, dat in 1987 voor het eerst werd gehouden, had meer dan 300 inzendingen in 2006. Het festival is nu ondergebracht in een aparte stichting.

Het Noorse filminstituut is ook het Iinternet opgegaan door de oprichting van www.mzoon.no, een mediaworkshop  voor jongeren tussen de 13 en 19 jaar. Op deze site leren jongeren hoe ze films en muziek kunnen producerenen artikelen en recensies kunnen schrijven.  Hoewel de site niet langer actief is, wordt in het kader van een Noords Scandinavisch project een vergelijkbare website ontwikkeld, www.dvoted.net, die in 2006 zal worden gelanceerd.
In 2001 werd een landelijk programma, onder de naam de “Culturele schooltas”, geïntroduceerd dat kinderen van de basisschool wegwijs maakt in de professionele culturele wereld. Het Noorse filminstituut is verantwoordelijk voor de diverse activiteiten van het programma die met film te maken hebben, en reserveert jaarlijks NOK 3 miljoen voor de presentatie van filmkunst op scholen in geheel Noorwegen.


Bron: Door Norsk Filminstitutt   |   Delen op netwerk   |   print