A | A | A

De Noorse filmgeschiedenis in vogelvlucht

De Noorse filmgeschiedenis is het verhaal van generaties filmmakers, acteurs en medewerkers achter de schermen die hun kunst gedurende een opeenvolging van verschillende cultuurtijdperken bleven koesteren. Dat de omstandigheden in de loop der tijd sterk wisselden, blijkt wel uit de lange lijst regisseurs die slechts door één film bekendheid hebben gekregen. Hoewel de financiële ondersteuning ongewis was, zijn er perioden van artistieke virtuositeit en krachtig persoonlijk leiderschap geweest. Noorwegen is trots op zijn nationale filmerfgoed, dat op allerlei manieren de ontwikkeling van de Noorse maatschappij weerspiegelt.

Vergeleken met Zweden en Denemarken, die al vroeg met succes grootschalige speelfilms voor een internationaal publiek produceerden, was Noorwegen een laatkomer in de filmindustrie. Er is weinig bekend over de allereerste speelfilm die in Noorwegen werd geproduceerd. De film zelf is verloren gegaan en het resterende bronmateriaal is twijfelachtig. De film werd in 1906 of 1908 door Hugo Hermansen geproduceerd en droeg de titel Fiskerlivets farer (“De gevaren van het vissersleven”) of Et drama paa havet (“Een drama op zee”) . Pas in 1911 werd een volgende poging ondernomen, toen Halfdan Nobel Roede Fattigdommens forbandelse (“De vloek van de armoede”) produceerde, een werk dat door veel deskundigen als de eerste Noorse speelfilm wordt beschouwd. Roedes werk werd geïnspireerd door de Deense erotische melodrama’s die destijds in zwang waren en was niet in de Noorse maatschappij geworteld.

 In 1920 begonnen de Noren pas de vruchten te plukken van een duurzame productie van professionele films. Ook het karakter van de Noorse filmproducties veranderde vanaf dat jaar en Fante-Anne (Anne het zigeunermeisje) van Rasmus Breistein gaf de aanzet tot wat later de nationale doorbraak zou gaan heten. Waar de meeste vroege werken zich afspeelden in de anonimiteit van de grote stad, begonnen de regisseurs zich nu op de Noorse natuur en de vreugde van het landleven te richten. De jaren 1930 kunnen dan ook met recht de Gouden Eeuw van de Noorse filmkunst worden genoemd. De eerste “sprekende film” was Den store barnedåpen (“Het grote doopfeest”, 1931) van Tancred Ibsen, het kleinkind van twee literaire giganten in Noorwegen, Henrik Ibsen en Bjørnstjerne Bjørnson. De jaren voor de Tweede Wereldoorlog waren voor de filmindustrie een periode van groei en toenemende populariteit, aangezien de filmmakers bekende literaire werken bewerkten voor het witte doek en ze tot leven brachten met behulp van professionele theateracteurs.

Tijdens de bezetting van Noorwegen door de nazi’s waren zowel de filmproductie als de bioscoopprogrammering onderworpen aan Duitse censuur. Desondanks stormde het publiek naar de bioscoop om te genieten van alle Scandinavische amusement dat door de censuur kwam. Paradoxaal genoeg werd juist in deze periode een nationaal filmdirectoraat opgericht, waarmee Noorwegen als eerste een landelijk filmbeleid invoerde. De ervaren regisseur Leif Sinding was  de eerste bestuurder van het directoraat. Aan het einde van de oorlog had het directoraat een kapitaal van meer dan NOK 10 miljoen (ca. EUR 1,28 miljoen) vergaard.

De naoorlogse periode was een natuurlijk keerpunt voor de Noorse film en een nieuwe generatie filmmakers trad naar voren. Edith Carlmar, de eerste vrouwelijke regisseur van Noorwegen, maakte tussen 1949 en 1959 maar liefst 10 speelfilms. Haar door critici bejubelde werk wist vaak een openbaar debat uit te lokken en had een ongekende aantrekkingskracht op het publiek. Tegenwoordig worden de films als klassiekers beschouwd. In Carlmars laatste film – Ung flukt (Het onhandelbare meisje, 1959) – speelde Liv Ullmann haar eerste hoofdrol. Ullmann, de bekendste actrice en regiseuse van Noorwegen. Troløs (Ontrouw), een film die Ullmann in 2000 maakte, werd datzelfde jaar genomineerd voor het filmfestival van Cannes. Arne Skouen, die in hetzelfde jaar als Carlmar zijn regisseursdebuut maakt, heeft 17 speelfilms op zijn naam staan. Tot zijn wapenfeiten behoort een aantal van de grootste filmsuccessen van Noorwegen, zoals de film Ni liv (Negen levens) uit 1957, die een Oscar-nominatie ontving. Door vele critici wordt dit beschouwd als de beste Noorse productie aller tijden. Skouens films blijven gewild op filmfestivals en andere filmevenementen overal ter wereld.

In de naoorlogse periode zijn er in elk geval nog twee namen die in het oog springen. In 1948 begon meubelmaker Ivo Caprino in zijn woonkamer te experimenteren met film en marionetten. Al snel werd hij de Noorse koning van de animatie. Caprino’s unieke systeem voor het produceren van films met marionetten bezorgde hem internationale erkenning en het kassucces van zijn Flåklypa Grand Prix (Grote Prijs van Smöreberg 1975) is sindsdien nog niet geëvenaard. Een heel ander genre wordt vertegenwoordigd door Thor Heyerdahl. Kon Tiki, de film die hij in 1947 opnam tijdens zijn expeditie met een vlot over de Stille Oceaan, ontving in 1952 een Oscar voor de beste documentaire en is tot op heden de enige Noorse film die deze prestigieuze prijs heeft gewonnen. In de jaren vlak na de oorlog hadden documentaires een grote aantrekkingskracht op het publiek, met name als ze materiaal bevatten dat verband hield met de oorlog of over ontdekkingsreizen en expedities ging. De jaren 1950 vormen een hoogtepunt in de geschiedenis van de Noorse documentairefilm – zowel qua productie als qua bioscoopbezoek. Na 1960 nam de televisie echter de plaats van de documentaire in als de belangrijkste bron van nieuwsfeiten en natuurprogramma’s. De laatste jaren is echter sprake van een comeback van de Noorse documentaire. Knut Erik Jensens Heftig og begeistret (Cool & Crazy) uit 2001 en Even Benestads Alt om min far (Alles over mijn vader) uit 2002 hebben diverse internationale onderscheidingen in de wacht gesleept.

In de jaren 1960 verscheen een nieuwe generatie jonge filmmakers ten tonele, die beïnvloed werd door de modernistische stromingen op het Europese continent. Tot de Noorse versie van de Franse New Wave behoorden Jakten (De jacht 1959) van Erik Løchen en Liv (“Leven” 1967) en Exit (1970) van Pål Løkkeberg. De Noorse bioscopen waren echter afhankelijk van Noorse komedies en internationale kassuccessen als publiekstrekkers. In het algemeen gaven gezinnen de voorkeur aan de televisie. Vervolgens stonden de jeugdige activisten van de jaren 1970 op, exponenten van de meest opstandige, sociaal-realistische periode die de Noorse film gekend heeft. Film was bedoeld als een politiek, in plaats van een artistiek medium, zoals blijkt uit titels als Streik! (“Staking!”, 1974) van Oddvar Bull Tuhus en Det tause flertall (“De zwijgende meerderheid”, 1977) van Wam en Vennerød en verscheidene progressieve documentaires. Vrouwelijke filmmakers maakten hun entree met de dramatisering van feministische thema’s. Bovendien produceerden zij confronterende verhalen over jeugd en puberteit, die een volwassen publiek trokken (zie “Kinderen en film”). Een van de onvergetelijke vrouwelijke regisseurs is Anja Breien. Haar Hustru III (Echtgenotes III) trilogie uit 1975, 1985 resp. 1996 – een kroniek over het leven van drie vrouwen gedurende drie decennia – was een groot succes.

Begin jaren 1980 raakte de Noorse film in verval en het publiek, dat het grauwe sociaal-realisme beu was, vroeg zich af wiens schuld dat was. Toen richtten bepaalde filmmakers, met enig succes, hun blik op de Verenigde Staten in de hoop daar inspiratie voor wat meer opwindende verhalen te vinden. Orions belte (De gordel van Orion, 1985) van Ola Solum en Veiviseren (De verkenner, 1987) van Nils Gaup trokken een groot publiek en kregen internationale erkenning. In 1988 ontving Veiviseren een Oscar-nominatie in de categorie beste buitenlandse film. De rest van de jaren 1980 en begin jaren 1990 vormeneen hoogtepunt voor de Noorse filmliefhebber, met films als En håndfull tid (Een handjevol tijd 1989) van Martin Asphaug,Landstrykere (Landlopers 1989) van Ola Solum, Høyere enn himmelen (Hoger dan de hemel 1993) van Berit Nesheim, Stella Polaris (1993) van Knut Erik Jensen, Telegrafisten (De telegrafist 1993) van Erik Gustavson, Drømspel (Droomspel 1994) van Unni Straume ,Over stork og stein (Knettergek 1994) van Eva Isaksen. Ti kniver i hjertet (Tien messen in mijn hart 1994) van Marius Holst en Eggs (Eieren 1995) van Bent Hamer. Een nieuwe generatiewisseling kondigde zich aan.

In 1996 schreef regisseur Hans Petter Moland in New York geschiedenis met zijn nieuwe film Kjærlighetens kjøtere (Zero Kelvin). In februari 1997 ontving Berit Nesheims Søndagsengler (Zondagsengelen, 1996) een Oscar-nominatie voor de beste buitenlandse film. Budbringeren (De boodschapper, 1997), geregisseerd door Pål Sletaune, ging in première tijdens de Week van de critici op het Filmfestival van Cannes en sleepte in zijn categorie de hoofdprijs in de wacht. De film is overal ter wereld vertoond en heeft diverse onderscheidingen gekregen. Datzelfde jaar nam Insomnia van Erik Skjoldbjærg deel aan hetzelfde onderdeel in Cannes en trok internationale aandacht. In 2001 was het Elling, van Peter Næss, die genomineerd werd voor de bekende Oscar-categorie van beste buitenlandse film. En tenslotte heeft Harald Zwart (One Night at McCool’s, 2001, Agent Cody Banks, 2003) het overtuigende bewijs geleverd dat Noor-zijn geen hindernis is om succes te boeken in Hollywood. Meer recentelijk maakten zowel Skjoldberg, Moland, Næss als Hamer films in de VS, waardoor Noorwegen stevig op de internationale filmkaart werd gezet met films als Prozac Nation (2001), Beautiful Country (2004), Mozart and the Whale (2004) en Factotum (2005).

Korte films uit Noorwegen doen het goed op festivals over de hele wereld. Tijdens de Week van de critici in Cannes in 2003 was Love is the Law van Eivind Tolås de winnaar in de categorie korte films.  Op datzelfde festival werd Bent Hamer alom geprezen voor zijn speelfilm Salmer fra kjøkkenet (Psalmen uit de keuken 2003), in de categorie Quinzaine des Réalisateurs, en won hij de prijs die recht gaf op Europese distributie en die de aanzet gaf tot  een wereldwijde afzet.

Er zijn een aantal interessante Noorse documentairefilms uitgekomen de afgelopen jaren, waaronder Heftig & Begeistret (Cool & Crazy) in 2001, Alt om min far (All about My Father) in 2002, Ungdommens råskap (Norwegian High School Kids Low on Concentration) in 2004 en Alt for Norge (“A Guide Through 100 Years of Norwegian History”) in 2005.

In 2003 kwamen meer Noorse films uit dan ooit tevoren, en deze succesvolle trend zet zich voort. Noorse films worden goed bezocht en worden internationaal geroemd. Dit komt vooral door de reorganisatie van de subsidieregelingen en de oprichting van het Noorse filmfonds in 2001. 2006 belooft ook een goed jaar te worden voor de Noorse filmindustrie. Alweer een nieuwe lichting filmmakers en acteertalent, die vastbesloten zijn hun sporen na te laten, timmert reeds flink aan de weg.


Bron: Door Norsk Filminstitutt   |   Delen op netwerk   |   print