Verlangen naar vrijheid
Als Grieg vandaag had geleefd, in een land dat onlangs vierde dat het 100 jaar geleden onafhankelijk werd van Zweden en een heel andere positie in de wereld inneemt dan aan het einde van de negentiende eeuw, zouden zijn verlangen en muzikale roeping er waarschijnlijk heel anders hebben uitgezien. Maar Grieg leefde in een arm Noorwegen, dat in vele opzichten vergelijkbaar was met de landen die tegenwoordig uit een al dan niet vrijwillige unie met een sterker land willen breken. Dit verlangen naar vrijheid voor Noorwegen heeft Grieg als componist gevormd.
De romanticus Grieg
Grieg beschouwde zichzelf als een romanticus, een kind van zijn tijd. Zelfs toen Ibsen en Bjørnson zich aan het eind van de jaren tachtig van de negentiende eeuw meer gingen richten op een literair realisme, was Grieg van mening dat het 'zwak of laf' van hem zou zijn de romantiek de rug toe te keren. Net als alle romantici was Grieg een mysticus, op zoek naar schoonheid; schoonheid in de natuur; in de waarheid. Op basis van zijn Duitse, Schumanesque leerschool en zijn verlangen de Noorse natuur te verbeelden in zijn muziek, vond hij zijn 'mystieke' palet in de 'verborgen harmonieën' van de Noorse volksmuziek. Dit werd zijn 'droomwereld', waarin hij op zoek ging naar de Noorse identiteit. Grieg beweerde dat er een mysterieus verband bestond tussen zijn eigen harmoniegebruik en de Noorse volksliederen. In de donkere diepten van de Noorse volksliederen had hij 'als bij toeval' een rijkdom aan onbekende harmonische mogelijkheden ontdekt. Grieg creëerde op deze manier een geheel nieuw harmonisch perspectief, dat lange tijd uniek was in de Europese muziek en de basis vormde voor de werken van Debussy en Bartók.
Broederschap
Grieg geloofde sterk in het belang van muziek in de maatschappij. Bij meerdere gelegenheden gaf hij gratis concerten voor arbeiders en armen, en na een van deze concerten schreef hij: "Deze avond is voor mij de verwezenlijking van een jeugddroom: dat kunst net als in het oude Griekenland iedereen kan bereiken, juist omdat het van hart tot hart spreekt. (...) Moge kunst tot het volk behoren!" Grieg was van mening dat in de kunst geen sprake was van een hogere en lagere klasse, en dat kunst daarom een educatieve rol kon spelen in de maatschappij.
Hoewel Grieg vasthield aan zijn roeping als romanticus, was hij toch geïnteresseerd in nieuwe ontwikkelingen en bang om achter te blijven: "Ik kan niet zeggen dat ik bang ben voor het leven of de dood, maar er is één ding waar ik wel bang voor ben: dat ik merk dat ik oud word, dat jonge mensen dingen ondernemen waarvan ik de bedoeling niet begrijp. Kortom, ik ben bang dat ik mogelijk niet kan aanvoelen wat waar en belangrijk is in de geestelijke voorhoede, die steeds verder naar voren beweegt naarmate we ouder worden. Daarom heb ik een instinctieve drang om alle aspecten van de geestelijke wereld te leren kennen, nu meer dan ooit."